Uit de categorie

Moederschap

Blog, Moederschap, Rust & balans

Afstand brengt ook iets moois

Met mijn fiets aan de hand loop ik richting het schoolplein. Voor het coronagedoe mochten we als moeders op het plein wachten, maar nu moeten we buiten het houten schoolhek wachten. Uiteraard op gepaste afstand.

Ik zet mijn fiets neer. Normaal gesproken raak ik altijd aan de praat met andere moeders, maar nu ben ik wat later en sta ik bijna achteraan de rij wachtenden ouders. Dat geeft me een mooi uitzicht op het tafereel dat me normaal gesproken compleet ontgaat.

De schooldeur gaat open. Aan elk van haar gehandschoende handen heeft de juf een kleutertje lopen. Achter haar volgt zich een keurig opgestelde rij van twee kleutertjes, hand in hand. Ik speur de rij af en zie achteraan het gestreepte jasje van mijn zoontje. Zodra de kindjes de moeders in het oog krijgen rennen ze allemaal naar het hek. De kinderen klinken als een kudde blatende schapen. ‘Mama, mama’ klinkt het geroep van alle kinderstemmetjes luid door elkaar, terwijl ze onrustig voor het hek op en neer bewegen. Sommige klimmen zelfs op het hek, zoals mijn eigen lammetje.

Er verschijnt een lach op mijn gezicht.

Het lijkt wel alsof ik de enige ben die hier een enthousiaste kudde schaapjes in ziet en hoort. Moeders en vaders om mij heen zijn druk in gesprek of stoppen snel hun mobiel in hun zak. Later zit ik in de tuin en hoor ik in de verte de schapen van de buren blaten. Ik denk weer terug aan het schoolplein. De afstand die we nu ervaren tussen mensen, in onze relaties en tot anders zo gewone situaties, kan ons ook wat brengen. Door afstand zie je het overzicht en vaak krijg je dan een nieuw inzicht. Je ziet wat belangrijk is of wat misschien al te lang een veel te grote plaats inneemt in je leven.

Misschien herken je het wel en genoot je tijdens de lockdown enorm van de momenten met je gezin die je anders weinig had. Of geniet je juist nu weer extra van je baan nu alle kinderen weer naar school gaan en realiseer je je dat je écht oplaadt van die werkdagen. Wie weet heb je een hobby (her)ontdekt voel je dat je een bepaalde vriendin erg hebt gemist.

Afstand helpt je om het totaalplaatje te zien, het kaf van het koren te scheiden. Het helpt je om te zien welke schapen een belangrijk onderdeel van jouw kudde vormen. Het lijkt me fijn om vaker wat meer achteraan te gaan staan. Zodat ik ontdek wat voor mij belangrijk is en dan bewust daarvoor kan kiezen. Dan brengt de afstand me in elk geval nog iets moois.

Deze blog mocht ik schrijven voor Power to the Mama’s.
Foto: Unsplash

Blog, Moederschap

Leren van de wet van Murphy

De ochtend begint al lekker voor mijn zoontje. Hij springt op zijn bed, valt en knalt met zijn hoofd precies tegen de kast. Hard huilen natuurlijk, maar er is niets te zien. Gelukkig maar, want morgen moet hij op de schoolfoto. Het is zo zonde als hij daar met een blauwe plek op staat. Helaas is deze valpartij nog maar het begin, zo blijkt een kwartier later: terwijl ik de koelkast open rent hij in al zijn speelsheid precies tegen het handvat aan. Kleng! Het resultaat: één blauwe plek op zijn voorhoofd en eentje onder zijn neus.

Heb je weleens gehoord van de Wet van Murphy? ‘If anything can go wrong, it will go wrong’Als er iets fout kan gaan, dan gebeurt dat ook. Als je kind van de bank valt, dan klapt hij precies op de salontafel. Wanneer er één legoblokje op de vloer ligt, dan ga je daar precies op staan. Herkenbaar?! Als je de koelkast opent en je zoon moet de volgende dag op de schoolfoto, dan… nou ja, je snapt het.

Of je deze uitspraak nou kent of niet, de kans is heel groot dat je er bewust of onbewust mee te maken krijgt. Je gaat als volwassene niet meer ondersteboven van de glijbaan, want je weet uit ervaring: dat kan flink fout gaan. De hete kraan zet je nooit té heet. En rennen met een schaar: welke volwassene doet dat nou? Zul je altijd zien: áls je een keer met een schaar rent, dat je uitgerekend dan op een verdwaald legoblokje gaat staan en valt met als resultaat dat scherpe ding in je buik.

Het moederschap bestaat uit een reeks van pogingen om je kleine telgjes te leren dat ze niet zo roekeloos moeten doen. Maar ik vind het niet altijd leuk om de party pooper te moeten zijn. Om de een of andere reden is mijn man dat zelden. Hij stimuleert onze zoon juist om van een klimrek te springen, gooit hem speels in de lucht en zet hem gerust op een hoge tak in een boom. En die kleine vindt dat fantastisch. Totdat het fout gaat natuurlijk. Dan sta ik er als spelbreker bij: ‘Zie je wel, zulk soort dingen gaan altijd mis.’

Als ik de Wet van Murphy moet geloven, kan er altijd wel iets misgaan en kun je dat ook níet tegenhouden. Dus ga ik het omarmen. Het vallen, de risico’s en het geëxperimenteer van mijn kind. Misschien klim ik zelfs wel mét hem in een boom of ga ik weer eens ondersteboven van de glijbaan. Onvermijdelijk heeft hij blauwe plekken op de pasfoto, maar dan kun je in ieder geval wel zien dat er in ons gezin wordt geleefd en genoten en dat we avonturen beleven. En van die pijn, daar leert hij vanzelf van. Alhoewel, het is wel een jongen en mannen blijven hardleers…

Deze blog mocht ik schrijven voor Power to the Mama’s.

Blog, Geloven, Moederschap

De zegen van een zegenliedje

Mijn zoontje is beneden terwijl ik boven de was doe. Elly en Rikkert klinken luid over de boxen. Het zijn de liedjes waar ik als kind ook eindeloos naar luisterde. Ik vind het heel waardevol dat ik mijn zoontje deze muziek ook mee kan geven. Vroeger luisterde ik cassettebandjes, nu stream ik de muziek gewoon. We gaan nog wel een béétje met de tijd mee.

“Mama?,” roept mijn driejarige onderaan de trap. “Mag ‘ie nog een keer?”
“Wat bedoel je?,” vraag ik en ik hang over het traphek en kijk naar zijn breeduit lachende gezichtje.
“Ik zegen jou. Ik wil die nog een keer. Mag dat?”
Natuurlijk mag dat. Graag zelfs.

Ik zet het liedje nog een keer aan en wil weer naar boven gaan. Duty calls, die was hangt zichzelf niet op. Maar daar denkt mijn zoon anders over. “Nee, jij moet op de stoel zitten.” Hij gebaart naar waar ik moet gaan zitten en kijkt me poeslief aan. “Wil jij meezingen?”

Hoe kan ik dat verzoek weerstaan? Ik ga zitten en hij nestelt zich op mijn schoot, legt zijn hoofd tegen mijn borst en luistert stilletjes als ik meezing:

‘Ik zegen jou in Jezus’ naam
Hij bewijst Zijn trouw
Ik zegen jou in Jezus’ naam
Hij blijft bij jou’

“Nog een keer,” zegt hij. “Ik vind dit een heel mooi liedje.”
Ik tik op mijn telefoon het liedje nog een keer aan en het pianomuziekje begint weer.
“Nu moet ik op de stoel en dan moet jij bij mij op schoot. Dan ga ik voor jou zingen,” zegt hij vastberaden. Ik glimlach. “Zullen we anders zo blijven zitten?” Mijn gewicht op zijn schootje, dat wil ik hem toch niet aandoen.

Elly en Rikkert beginnen weer te zingen, maar niet alleen. Mijn peutertje doet mee. Hij legt zijn arm op de mijne en zingt loepzuiver: ‘Ik zegen jou in Jezus naam, Hij blijft bij jou.’ De coupletten zijn vals, er missen woorden, maar het zuiver gezongen refrein raakt me recht in mijn hart. Het is met recht een zegenliedje, dat is duidelijk.

Hoe vaak zegenen we onze kinderen, onze geliefden? In de kerk vind ik het altijd een van de fijnste momenten: het zegenmoment vlak voordat de dienst afgelopen is. Zegening is de vraag of God iemand overvloed, voorspoed en gezondheid wil geven. Vanuit ons geloof in Jezus mogen we zelfs de zegen over iemand uitspreken: ‘Ik zegen jou in Jezus’ naam.’ Zijn overvloed is het mooiste wat we de ander mogen geven.

Die mooie woorden mag ik dus best vaker uitspreken over mijn zoontje, maar ook over mijn man, vrienden of anderen die ik liefheb. Van Zijn zegen kun je niet genoeg ontvangen. Ikzelf ook niet. En dat had mijn peuter allang door, vandaar dat hij mij vroeg of ik bij hem op schoot kwam voor het liedje. Alhoewel mijn billen op zijn schootje voor hem dan weer niet zo’n zegen zijn.

Deze blog mocht ik schrijven voor Power to the Mama’s.

Blog, Moederschap

Ik wil het zelluf doen

“Mag ik jou helpen?,” vraagt mijn zoontje als ik een sapje sta te maken bij het aanrecht. Ik kan bijna niets meer doen of meneertje staat al met zijn opstapkrukje klaar om me in de keuken te helpen. Bij poetsen in huis krijg ik ook hulp en tijdens het tuinieren wil hij samen de schoffel beethouden. Het is geen kinderarbeid als je kind het zelf wil, toch?

Als ik op de wc zit, krijg ik zelfs het wc-papier aangereikt. Hulp is wat hij krijgen én geven wil en daar leert hij natuurlijk enorm veel van. Maar eerlijk gezegd: ik mis mijn persoonlijke ruimte en het doen van dingen in mijn eentje nogal eens.

Nadat we samen een sapje hebben gemaakt, begin ik aan het avondeten. Naast me staat mijn 3-jarige hulpkok. Onhandig husselt hij de salade met een vork en lepel. De helft belandt naast de schaal. “Voorzichtig hoor, alles gaat ernaast,” wijs ik naar de groenten op het aanrechtblad. Ondertussen draai ik het vlees om in de koekenpan.

“Nu wil ik ook snijden,” zegt hij vastberaden en hij grijpt naar het enorme keukenmes dat naast de snijplank ligt. Net op tijd trek ik het terug. “Je weet toch dat je dat niet mag?,” roep ik geschrokken uit. “Messen zijn niet voor kinderen. Een mes is heel scherp.” Mijn zoon heeft duidelijk een andere mening. “Nee, ik wil het doen,” zegt hij en stampvoet op zijn krukje. Ik zucht diep.

Op dat moment gaat de achterdeur open. Mijn man komt binnen. Nadat hij zijn spullen heeft weggezet, komt hij bij ons staan. “Kan ik helpen?”, vraagt hij.
“Gaat dat wel goed?”
Hij wijst naar het vlees en ineens ruik ik een aangebrande geur.
“Je kan niet helpen,” antwoord ik nors.

Uit mijn keuken, denk ik, allemaal uit mijn keuken! Ik draai het vlees om dat wat zwarter is geworden dan hoort. Leuk hoor, al die helpers hier, maar het leidt behoorlijk af. De liefdestaal van mijn man is dienen, helpen. En dan ineens zie ik die ook terug in mijn peuter. Het is hun liefdestaal. Zo laten ze zien dat ze graag bij me zijn, dat ze van me houden. En door mijn hulp en het accepteren van de hunne zien ze hoeveel ik van hen houd.

“Nee, wacht. Jawel, jullie kunnen me helpen,” breng ik uit. “Willen jullie samen de tafel dekken?”
‘Ja’, knikken ze allebei en ze gaan aan de slag. Ik sta weer alleen in de keuken en heb het terrein heerlijk voor mezelf.

“Wat fijn dat jullie samen de tafel hebben gedekt,” zeg ik als we aan tafel zitten. Ik barst van de honger. “Het ziet er keurig uit.” Mijn zoontje glundert en kijkt dan ineens beteuterd. “Er is geen appelmoes.” Met een beetje tegenzin antwoord ik: “Die zal ik even pakken.” Maar meneertje heeft zijn stoel al naar achteren geschoven en zegt resoluut: “Nee, ík ga het doen. Jij moet blijven zitten.”

Kijk, ik wil misschien niet altijd geholpen worden, maar tegen zulke hulp zeg ik geen ‘nee’. Zolang we allemaal maar regelmatig iets ‘zelluf’ kunnen doen.

Foto: Unsplash – patrick-miyaoka

Blog, Geloven, Groei, Moederschap

Faal, vergeet en leer

Even let ik niet op. Even. Als ik weer kijk staat mijn peuter op het keukentrappetje bij de porseleinen spoelbak. Zijn nieuwste hobby is het stiekem leegspuiten van alles waar zeep in zit. Afwasmiddel, handzeep, shampoo, niets is veilig.Voordat ik bij hem ben klinkt er een luide tik. Het stenen zeeppompje is in de wasbak gevallen. Verschrikt spurt ik ernaar toe, spreek mijn zoontje vermanend toe, zet het zeeppompje – dat zowaar nog heel is – terug en haal het trappetje weg. Even later ontdek ik een scheur van jewelste in de porseleinen spoelbak.

De scheur blijkt niet enkel een esthetisch probleempje te zijn, hij is door en de wasbak lekt aan de onderkant. Een paar telefoontjes en een bezoekje aan de keukenboer later leert ons dat het én niet meer te maken is, maar dat de desbetreffende spoelbak ook uit de handel gehaald is. Het onvermijdelijke gevolg: nieuwe spoelbak, nieuw aanrechtblad, muur opnieuw sausen en hopen dat het behang heel blijft. Je snapt het wel: we balen. Ook al zijn we niet boos geworden op de kleine man, hij merkt dat het niet zomaar een ongelukje is. Hij zegt – uit zichzelf- die dag meerdere keren ‘sorry’, totdat ik nadrukkelijk zeg dat hij het niet meer hoeft te zeggen. Het was immers een ongelukje.

De volgende ochtend wil mijn zoontje de scheur weer bekijken en even later wéér en later nóg eens. En nog eens, en nog eens. Het hele voorval heeft indruk op hem gemaakt, dat is duidelijk. 
En dan zie ik ineens een parallel met mijn eigen leven. De appel valt overduidelijk niet ver van de boom.  

God vertrouwt mij dingen toe: de zorg voor mijn kind, mijn werk, de zorg voor anderen waar ik een bepaalde relatie mee heb. Hij geeft mij talenten en daar mag ik wat mee doen. Zóveel schenkt hij en daarmee geeft hij ook verantwoordelijkheid. 
En net als ieder ander maak ik fouten. Val ik uit tegen iemand en maak ik daarmee een krasje, buts of soms zelfs een scheur. En o, wat kan ik dan toch boos worden op mezelf als ik faal. En wat komt die fout dan toch vaak terug in mijn gedachten.

Maar Ik doe al jullie ongehoorzaamheid weg. Al jullie slechte daden wis Ik uit. Dat doe Ik omdat Ik dat wil en niet omdat jullie het verdienen. Ik zal er zelfs niet meer aan denken. 
Jesaja 43:25 (Basisbijbel)

Waarom kan ik tegenover mijn zoontje zo compassievol zijn bij een fout en bij mezelf niet? Als God ze allang heeft weggedaan, waarom zou ik er dan aan blijven denken? Dat is niet wat Hij voor mij wil. En als jij daar ook moeite mee hebt; het is ook niet wat Hij voor jou wil. Hij wil dat we vrij zijn en dat we net als Hij dat doet, niet meer aan onze zonden denken. We mogen het echt loslaten en tegen onszelf zeggen: ‘Ik ga hier niet meer aan denken.’

Nog een dag later is mijn zoontje de scheur helemaal vergeten, hij speelt weer zonder kijk-de wasbak-is-kapotonderbrekingen. Maar als hij later zijn handen wil wassen vraagt hij ineens: Mama, wil jij zeep op mijn handen doen? En dat is dus wat we moeten doen met onze fouten: vergeten en ervan leren. Ik kan blijkbaar nog een hoop leren van mijn driejarige. 

Foto: Unsplash


Deze blog mocht ik schrijven voor Power to the Mama’s.

Blog, Moederschap

Ik kan mezelf niet horen denken

“Hou eens even je mond. Ik kan mezelf niet eens horen denken,” bijt ik hem toe. Vanachter mijn laptop kijk ik mijn peuter aan met een donkere blik. “Ik moet even werken en als jij zo’n herrie maakt kan ik niet denken.” 
Abrupt eindigt zijn spraakwaterval en stilletjes speelt hij verder. Mijn driejarige kan me een partij kletsen, zijn mondje staat eigenlijk nooit stil. Alleen als hij slaapt of een filmpje kijkt zegt hij niks. Meestal vind ik zijn gebabbel heerlijk, maar nu… ik kan het niet hebben. Rust wil ik en stilte. Absolute stilte.

Sinds de kleine man ’s middags niet meer een middagdutje doet komt mijn planning aardig in het gedrang. Op zijn slaapmoment schreef ik vaak of had ik even tijd voor iets voor mezelf. Maar nu heb ik overdag eigenlijk geen verloren ogenblikje voor mezelf meer en dat frustreert me. Ik mag al blij zijn als ik even alleen naar de wc kan, zonder dat de deur opengetrokken wordt en er wordt gevraagd wat ik aan het doen ben.

Na mijn uitbarsting blijft het misschien een minuut stil en daarna gaat de kleine man op volle sterkte weer verder. Mijn hart klopt driftig in mijn borstkas terwijl ik me probeer te concentreren op wat ik aan het schrijven ben. Dit is gewoon kansloos. Tijd voor mezelf met een peuter om me heen is geen optie. Met een diepe zucht klap ik mijn laptop dicht en loop de kamer uit.  
“Mama, wat ga je doen? Mag ik mee?”, klinkt het achter me.

Tijdens het avondeten ben ik stiller dan anders. De drukte in huis gaat onvermoeibaar door, maar mijn hoofd wil zich afsluiten en alvast gaan slapen. Er wordt iets aan me gevraagd, maar ik hoor het amper totdat mijn man zijn hand op mijn arm legt.  

“Gaat het wel?”

“Ik kan mezelf niet horen denken,” zeg ik voor de tweede keer die dag. Ik zucht diep en wrijf in mijn ogen. 
“Neem dan even de ruimte,” zegt hij.  
Ik lach schamper. “Hoe dan? Wanneer dan? Er is altijd wel iets te doen.” 
“Nu. Nu hoef je niets te doen.”

Na wat morren en protesteren geef ik me er toch aan over. Alles even loslaten is niet zo eenvoudig. Maar na aandringen van zijn kant sluit ik me op in de slaapkamer. Eindelijk is er stilte, ik hoor mijn gedachten weer. “Goed zo,” zeggen ze, “dit heb je nodig. Alles is nu anders. Er is minder tijd voor jezelf, maar die momenten kun je wel creëren. Laat je soms maar ontzorgen, je kan niet altijd aan staan. Soms moet je even op stand by. En koester die lieve vent die dat mogelijk maakt.”

Deze blog mocht ik schrijven voor Power to the Mama’s.

Blog, Moederschap

Alles is mogelijk

“Oh,” roep ik verrukt uit. “Wat een tof ding.”

We zijn bij een nogal bekende woonwinkel (met blauw-geel logo) en ik laat een mooi vormgegeven zandloper aan mijn man zien. Met een tevreden glimlach leg ik het hebbeding in de kar. Ik heb een zwak voor zulk soort kekke dingen. Thuisgekomen blijkt mijn zoontje ook een fascinatie voor de zandloper met gouden zand te hebben.

Ik draai de zandloper om. Het gouden zand stroomt door de smalle opening naar beneden en maakt een rustgevend ruisend geluid.
“Is dat een soort waterval?”, vraagt mijn tweejarige. Hij strekt zijn vinger uit.
“Niet aanraken,” is mijn eerste reactie en dan denk ik pas goed over zijn vraag na. Ik glimlach. Is dat een soort waterval? Wat een creativiteit. Geweldig. “Ja,” antwoord ik. “Het lijkt er wel een beetje op. Zullen we de zandloper zo nog een keer omdraaien?”
In stilte kijken en luisteren we samen naar het zand.

Onlangs zag hij tijdens het autorijden een ‘groot paars ei’. De hele rit heeft hij het over dat ‘ei’ gehad. In vlekken chocoladepasta ziet hij ambulances. Mét sirene, benadrukt hij dan altijd. Papa’s auto zit onder de poep. Net als de meeste molens. Ook kwam hij pas aanzetten met een bruin, ondefinieerbaar stukje, en vroeg: “Is dit soort geroosterde kak?” Echt gebeurd.

Ik kan enorm genieten van zulk soort opmerkingen. Prachtig hoe kinderen onbevooroordeeld naar de wereld kijken. Ergens in het opgroeien verliezen wij die onbevangenheid en beginnen wij te oordelen over hoe dingen horen te zijn en gaan. Kinderen zijn nog niet gekleurd, hebben nog geen filter: alles is mogelijk. Zandlopers zijn watervallen. Op een kleurplaat kun je de lucht alle kleuren geven die je wilt. Poepgrapjes zijn leuk. Melk kun je ook met een lepel drinken. Een gebouw is een paars ei. Op je boterham zit een ambulance en een emmer zand kun je ook over je hoofd leegkiepen.

De zandloper staat nu naast mijn laptop. Op mijn vaste schrijfplek. Als een reminder dat alles mogelijk is. Ik bepaal waarop ik focus, wat ik doe, wat ik denk en wat ik doorgeef. Ik bepaal hoe ik oordeel. Net als een kind mag ik, als volwassene, onbevangen en puur kijken naar het leven, naar anderen. Niet alles is wat het lijkt en andersom.

Deze blog mocht ik schrijven voor Power to the Mama’s

Blog, Moederschap

It takes a village to raise a child

Beladen met boodschappen ren ik achter mijn peuter aan. Hij heeft geen zin om boodschappen te doen en laat dit duidelijk merken door heel de tijd bij mij weg te lopen. Ik had gewoon een grote kar moeten pakken en hem in het zitje moeten zetten. Achteraf kijk je een koe in z’n… jeweetwel. 
“Hier blijven,” zeg ik bits en ik grijp hem bij zijn capuchon. Het pak melk onder mijn oksels glijdt naar beneden en valt op de grond. Ik buk om het op te rapen en wég is mijn zoontje weer. Ik krijg het helemaal warm. Soms heb je een dag dat alles misgaat en dit is er zo een.

Boodschappen doen met een peuter kan een enorme uitdaging zijn. Naast weglopers zijn er ook de driftkopjes. De peuters die de hele supermarkt bij elkaar krijsen omdat hun moeder geen spekjes wil kopen of omdat ze niet met de wijnflessen mogen spelen. Toen ik zelf nog geen moeder was, bekeek ik zulk soort taferelen altijd met een zweem van kritiek. Dan zag ik in mijn beleving een moeder die haar zaakjes niet op orde had, die geen idee had wat ze deed. Tegenwoordig weet ik wel beter.

Terug naar mijn supermarktavontuur. Ik sta met mijn zoontje mij de kassa. Met moeite weet ik mijn spullen op de toonbank te deponeren. Ik probeer mijn zoontje bij de activiteit te betrekken, maar ho maar. Dat lukt niet. Hij heeft zijn zinnen gezet op de schuifdeuren naar buiten. Daar zal hij niet blijven als die deuren opengaan. Hij rent zo naar buiten, zonder te kijken waar mama is.

“Kom hier,” zeg ik, mijn stem schiet omhoog. Met een verontschuldigend gezicht kijk ik naar de caissière als ik mijn peuter bij me probeer te houden en een poging doe ondertussen ook nog mijn tas in te pakken. In allebei ben ik niet succesvol. Het zweet breekt me uit.

“Geef hem maar aan mij,” zegt de caissière zacht. Ze knikt naar mijn zoontje en wenkt hem. “Kom eens kijken wat ik hier allemaal heb.” De oudere vrouw leidt mijn kleine achter de toonbank en tilt hem op schoot. Bemoedigend lacht ze me toe. Opgelucht haal ik adem en ruim snel mijn tas in, terwijl mijn zoontje de kassa mag bekijken. Glunderend zit hij bij haar. Volgens mij heb ik nog nooit zo dankbaar “bedankt” tegen iemand gezegd.

“It takes a village to raise a child,” is een bekend internationaal gezegdeEen kind opvoeden kun je overduidelijk niet alleen. We hebben anderen nodig om ons te bemoedigen, niet om ons te veroordelen dat we onze zaakjes niet op orde hebben.

We hebben meer heldinnen nodig als deze caissière, die moeilijke momenten net wat draaglijker maken. Haar actie laat me niet los. Het was alsof ze naar me knipoogde en zei: “You can do this.”
Vanaf nu ga ik bemoedigend lachen naar de moeder met haar krijsende baby, met de woedende peuter die krijsend op de grond ligt, naar de moeder die een grote mond van haar puber krijgt. Een vriendelijk knikje dat laat weten: “Ik weet het, moeder zijn is soms zwaar. Loodzwaar. Je bent niet alleen.”

Deze blog mocht ik schrijven voor Power to the Mama’s

Foto: Pixabay

Blog, Groei, Moederschap

De valpartij

Terwijl mijn man beneden met mijn zoontje een tent bouwt, ben ik boven. Ineens klinkt er gekrijs. Het soort gekrijs waardoor je weet dat het mis is. Goed mis. Al snel komt mijn man de trap op met ons zoontje in zijn armen.
‘Hij is van de bank gevallen en wordt niet stil. Wil jij kijken?’
Voorzichtig neem ik de kleine man in mijn armen en ga met hem op de grond zitten, bovenaan de trap. Ik sus en sus, maar tevergeefs.
‘Waar doet het pijn?’, vraag ik.
‘Hie-hier’, snikt hij luid en hij wijst naar zijn nek.
Zacht trek ik zijn shirt opzij. Mijn mond valt open. ‘Bel de huisartsenpost maar’, zeg ik tegen mijn man. ‘Hij heeft zijn sleutelbeen gebroken.’

Een uur in het ziekenhuis bevestigt mijn conclusies. Gelaten laat mijn zoontje alles toe; de röntgenfoto, alle vreemde mensen die aan zijn lijf komen, de rolstoel, het drankje en alle vreemde apparaten.
Bij een gebroken sleutelbeen is gips geen optie. Meneer krijgt een mitella en moet zijn arm ontzien.
Als een verpleegkundige de doek komt aanleggen, slik ik mijn tranen weg. Arme kleine jongen. Ook denk ik met een knoop in mijn maag aan de komende weken.
‘Het kan goed pijn doen’, vertelt de zuster. ‘Met name met het slapen.’
Dat worden korte nachten en pittige dagen, dat kan niet anders.
‘Vooral opletten dat hij niet valt’, waarschuwt de zuster nog als we naar huis gaan.

Na een middagdutje is mijn zoontje wakker. Waar ik verwachtte hem te moeten entertainen, is hij al snel lief zelf aan het spelen. Met één arm en de andere verstopt in de mitella. Hij kruipt, springt, bouwt, gooit en klimt zelfs weer op de bank.
‘Kijk uit’, roep ik verschrikt uit als hij op de bank gaat staan. ‘Straks val je weer.’

Wat is zo’n kind toch onbevangen. Ikzelf word zo snel geremd door angst. Als ik iets nieuws probeer en ik val, dan krabbel ik wel weer op. Maar opnieuw proberen? Pfoe.
Kinderen vallen hard, breken botten, schaven knieën, staan weer op én durven weer te vallen. Wat een moed.

Durf ik weer te vallen? Durf ik te falen als ik al eerder gefaald heb?
Er is een uitspraak die luidt: Je faalt pas als je stopt met proberen. En dat is een waarheid als een koe.
Als baby’s niet opstaan als ze gevallen zijn, zullen ze nooit leren lopen. Een peuter moet tig keer in zijn broek plassen voordat hij zindelijk wordt. Als ik stop met proberen wordt ik nooit wie ik wil worden.

De volgende dag zit ik op de bank. Mijn zoontje komt naast me staan en tikt op de zitting.
‘Niet er vanaf vallen, mama.’ Moeizaam klautert hij met één arm op de bank en gaat naast me zitten.
‘Nee’, zeg ik. ‘Het zou niet leuk zijn als we weer naar het ziekenhuis moeten.’
‘Ik doet voorzichtig’, stelt hij vast.
‘Goed zo.’ En ineens landt het bij mij: we falen als we stoppen met proberen en we leren als we het opnieuw proberen. Als we onze tactiek aanpassen, dan leren we van onze fouten. Zoals een kind dat doet. Moedig en onvermoeibaar.

Blog, Moederschap

Laat me leven

“Laat me leven,” roept mijn peuter en hij rent juichend door de woonkamer. Mijn man en ik kijken elkaar aan. Ik trek mijn wenkbrauw op. Verstond ik dat goed?
Ik wenk mijn zoontje.
Hij komt naar me toe gedribbeld.
“Wat zei je net?”, vraag ik.
“Laat me leven,” antwoordt hij en voordat ik verder nog iets kan zeggen rent hij weer naar zijn speelgoed toe.
“Hij heeft in elk geval voldoende levenslust,” grap ik tegen mij man. Toch zit het me niet helemaal lekker.

Wat een vreemde praat voor een tweejarige. Dit hoor je eerder in een scène van Breaking Bad, waar iemand een pistool op zich gericht krijgt, of flink door elkaar gerammeld wordt. Uit een kindermondje klinkt het nogal gek, zeker omdat ik absoluut geen idee heb hoe hij eraan komt. Waar heeft hij dit opgevangen?

Je kunt je kind niet altijd beschermen voor de wereld. Behalve naar Nijntje en Peppa Pig kijkt hij niets op TV. Zeker niet zonder mijn toezicht. Je hoort weleens van die filmpjes op YouTube waarin een stel mafketels een lieflijk kinderfilmpje doodeng maken. Je zet je kind nietsvermoedend achter de tablet en gaat vervolgens zelf de was doen, totdat je kindje in gehuil uitbarst omdat de toon van het filmpje ineens drastisch omslaat. Sinds ik dat weet laat ik mijn kleine niet zomaar iets kijken.

Een dag later zit mijn zoontje lekker te spelen met zijn nep-eten. Hij pakt een taartje en roept luid: “Laat me leven.”
Ik snel naar hem toe en ga bij hem zitten.
“Waarom zeg je dat?”, vraag ik. Hij kijkt me lachend aan, zich niet bewust van wat hij zegt.
“Ik vind het een beetje vreemd wat je zegt. Heeft een ander kindje dat gezegd?”
“Nee,” zegt hij en hij stopt een neptaartje in zijn mond.
Hij is duidelijk nog veel te jong voor dit soort gesprekken. Ik besluit er geen aandacht meer aan te besteden in de hoop dat het weer overwaait.

Uit zo’n kindermondje klinkt zo’n opmerking best komisch. Stiekem moet ik er ook wel een beetje om lachen. Toch blijf ik me afvragen waar hij het vandaan heeft. Heimelijk hoop ik ook dat hij het niet ergens anders roept, want wat zullen andere mensen daarvan denken? Dat ik hem een of andere moordserie laat meekijken op een onchristelijk tijdstip?

Later zitten we in de tuin. Mijn ouders zijn op visite. Ik snijd een appeltaartje in stukken en leg de parten op een bordje. Mijn zoontje zet zijn fietsje aan de kant en komt bij me kijken.
“Taart,” roept hij blij. Plotseling begint hij te zingen.  Luidkeels schalt hij door de tuin: “Laat me leven, laat me leven.” En dit loepzuiver gezongen op de melodie van Lang zal ze leven.

Aha. Gelukkig maar. Niks geen scène uit Breaking Bad. Niks geen enge filmpjes op Youtube. Op de peuterspeelzaal zingen ze Lang zal ze leven regelmatig, maar met al die kindjes die net kunnen praten zal dit wel een gevalletje Babylonische spraakverwarring zijn.

Deze blog mocht ik schrijven voor Power to the Mama’s.

Foto: Unsplash