Browsing Category

Verhalen

Verhalen

Solliciteren naar problemen

‘Je hebt al eerder in een supermarkt gewerkt las ik in je CV?’, vraagt hij en ondertussen krabbelt hij wat op een formulier. Met zijn vingers krabt hij op zijn kalende hoofd en legt dan zijn hand op zijn buik. De knoopjes van zijn lichtblauwe met grasgroen geruite overhemd staan onder spanning. Onder zijn formulier steekt een stuk van mijn CV uit en her en der zijn er woorden geel gearceerd. Subtiel leun ik wat over het bureau om te zien wat precies, maar ik kan het niet goed zien.
‘Ja, dat klopt’, antwoord ik. ‘Bij de Jumbo en ook binnen een leidinggevende functie en dat paste me heel goed. Vooral het aansturen van het team is iets waar ik goed in ben, zien wat er moet gebeuren en wie je daarvoor het beste kan inzetten.’
Hij humt wat en schrijft wat op zijn papier, maar met elke letter wordt de pennenstreep dunner. Geërgerd schudt hij met zijn pen, zet hem weer op het papier en schrijft zonder kleur.
‘Juist’, mompelt hij en hij trekt een la open. Graait er wat in, zucht en trekt de la eronder open. ‘Geen pen te bekennen als je er een nodig hebt.’ Hij houdt zijn handen verontschuldigend in de lucht. Ik loop even naar de balie om er eentje te halen die het wel doet. Een momentje.’
Met grote passen loopt hij het kantoortje uit. Ik gluur achter me door het raam en zie hem door de grote deuren de supermarkt in verdwijnen.
Ik sta op en strek mijn benen even. Aan de muur hangen krantenknipsels waar de supermarktmanager opstaat, de ene keer met een blije klant die iets gewonnen heeft, de andere keer met zijn personeel. Op de lange tafel die eronder langs de muur staat staan tientallen dozen geopend. Met Snickers, voorverpakte roze koeken, chocoladerepen, pakjes kauwgom, doucheschuim, zakjes paprikachips en nog veel meer. Ze puilen uit de pakken, liggen ernaast op de tafel zonder enige vorm van logica.
Schichtig kijk ik door het raam en kijk uit op een ruimte met tientallen karren volgestapeld met dozen met boodschappen. Het is stil in het magazijn. Vluchtig werp ik een blik op de deur en gris dan een reep chocola, een zakje chips en een Snickers uit de chaos.
Weer gluur ik naar de deur die naar de supermarkt leidt. Niemand te zien. Zo snel ik kan open ik mijn handtas die op de grond staat aan mijn kant van het bureau en ik prop de spullen erin. Met een voorzichtige grijns ga ik weer zitten en staar naar de dozen op de tafel. Zal ik nog wat pakken?
In huis heb ik nauwelijks iets te eten meer. Sinds Leon bij me weg is ben ik steeds verder ingeteerd en in de rode cijfers gezakt. Afgelopen week verkocht ik mijn televisie via Markplaats en de huur kon ik daarna maar net betalen. Op de advertentie van mijn scooter reageert nog niemand, maar ik heb het geld nodig. De koelkast is helemaal leeg, op een potje mosterd en een halflege fles ketchup na. Ik moet deze baan krijgen. Hopelijk belt hij niet naar de Jumbo voor een referentie, want dan val ik gelijk door de mand. Een supermarktmanager van de Albert Heijn zal toch nooit naar een andere supermarkt bellen?
Een geluid, ik draai me om en zie de manager weer door de klapdeuren komen. Lachend steekt hij een pen in de lucht als hij binnenkomt.
‘Ik moest er heel wat voor doen’, grijnst hij, ‘maar ik heb er een.’
Met een plof gaat hij zitten op de bureaustoel die een stukje naar achter rolt onder zijn gewicht. Met zijn voeten stapt hij zodat de stoel weer vooruit rolt totdat zijn buik tegen het bureau aankomt.
‘Hoe zou je jezelf omschrijven?’, vraagt hij en hij zet zijn pen op het papier.
Hier ben ik op voorbereid, het antwoord op deze vraag heb ik tig keer opgeschreven, zodat ik het zo op kan zeggen.
‘Daadkrachtig’, begin ik en ik ga rechtop zitten. ‘Sociaal, empathisch, flexibel. Ik ben zorgvuldig.’ Kort staar ik naar de grond en zie dan dat ik de rits van mij tas niet goed heb dichtgedaan en de Snickers is duidelijk zichtbaar. Met mijn voet duw ik de flap van de tas eroverheen zodat je het niet meer ziet. ‘En ik ben eerlijk en betrouwbaar’, zeg ik met een glimlach.
Met een lach legt hij zijn onderarmen op de tafel en opent zijn handen. ‘Ik zal eerlijk zijn’, zegt hij, ‘Normaal zeg ik altijd dat ik een paar dagen later laat weten wat we doen, maar dat ga ik nu niet doen. Zeker gezien je eerdere ervaringen en je mooie CV heb ik er het volste vertrouwen in dat je een mooie aanwinst zal zijn voor ons team en dat je de ploeg van vakkenvullers goed aan zal sturen. Je hebt de baan’
‘Wow’, stamel ik en ik lach breeduit. ‘Wat leuk, fijn. Bedankt.’
‘De papieren moet ik natuurlijk nog regelen en een gesprek over de arbeidsvoorwaarden moeten we ook even inplannen. Ik stuur jou vanmiddag een mailtje met een voorstel, is dat goed?’
‘Ja, zeker, dat is prima’, antwoord ik. ‘Per wanneer zou ik dan beginnen?’
‘Is volgende week maandag goed?’
‘Uitstekend’
Hij staat op, geeft me een hand en loopt met me mee naar de deur.
‘We spreken elkaar deze week dan nog’, zegt hij. ‘O wacht, er valt iets uit je tas.’
Hij bukt en pakt het zakje paprikachips. Kort kijkt hij ernaar en met vuurrode wangen neem ik het van hem aan.
‘Bedankt’, zeg ik licht hakkelend en ik houd het onhandig in mijn hand. Het in mijn tas stoppen durf ik niet.
‘Goed’, hij opent de deur naar het magazijn, kijkt vluchtig naar de tafel met eten en vervolgens weer naar mij. ‘Ik mail jou vanmiddag. Bedankt voor het gesprek.’

Verhalen

Ultra Kort Verhaal

De uitdaging: schrijf een verhaal van maximaal 100 woorden. Ik had er 93 nodig.

Moeder

‘Ik ga op reis en ik neem mee: een rugzak, baksteen, schep, vleesetende plant.’ Zwijgend kijk ik hem aan. Hij grijnst breed omdat hij denkt dat ik het vergeten ben. ‘Een opblaaspop’, ga ik verder, ‘liniaal, gebaksvorkje, snelbinders’. Ik speur de woonkamer rond, het was iets dat hier lag. ‘Een afstandsbediening en jouw moeder’ Nu mag ik een woord toevoegen. ‘En een pistool.’
‘Hij veert op: ‘Waarom neem je in vredesnaam mijn moeder en een pistool mee?’
‘Dan komt die schep ook nog van pas als die vleesetende plant haar niet wil hebben.’

 

Verhalen

Voorjaarszon

Op Schrijven Online vond ik de volgende opdracht:
Je gaat in de gevangenis langs bij iemand die ter dood veroordeeld is. Maar hij of zij is veroordeeld voor iets wat jij hebt gedaan. Hoe gaat dit bezoek verlopen? Vertel je wat er is gebeurd, weet die persoon dat jij het hebt gedaan? Voel je je schuldig of voelt het juist goed om ermee weg te komen? 

Lees hieronder over mijn bezoek.

Voorjaarszon

Zodra hij me ziet, knijpt hij zijn ogen tot spleetjes. Het donkerebruine in zijn irissen verandert naar bijna zwart. Achter hem staan twee bewakers, met hun rug tegen de muur en hun ogen gefixeerd op Mart. Ogenschijnlijk koel pakt hij de telefoon vast en legt hem tegen zijn oor en met een stalen blik kijkt hij me aan, net zolang tot ik naar de stoel tegenover hem aan mijn kant van het glas loop en ga zitten. De moed die ik had om hier naartoe te komen verdwijnt zodra ik zijn stem hoor.
‘Daar ben je dan.’
Zwijgend bal ik mijn vuist in mijn schoot en adem diep in.
‘Ik wist dat je zou komen.’ Zijn stem klinkt anders dan toen we samen waren. Anders dan toen hij me beval de trekker over te halen. Rauw en raspend alsof hij hier meer rookt dan dat hij altijd deed, terwijl hij hier maar een half uurtje mag luchten per dag en ik weet niet eens of hij dan wel mag roken.
‘Ik wist dat je niet weg kon blijven’, hij adem uit. Kalm, zoals hij altijd veinsde te zijn. ‘Wegblijven is iets waar je nooit goed in was. Je bent als een slaafse hond die zijn baas trouw is.’
Ik ril. Trouw wilde ik hem nooit zijn, maar ik had geen keus. Ook geslagen honden zijn loyaal aan hun baas. Het was verzuipen of nét niet. Ik koos voor het laatste. Nu hij hier zit kan ik weer eindelijk ademhalen, ik ben uit het water op het land gekrabbeld en ik ben niet van plan ooit weer die zee in te gaan.
Met trillende vingers vis ik de ongeopende brief uit mijn broekzak en leg hem op het tafeltje dat onderbroken wordt door een dik glas.
‘Ik wil dat je me nooit meer een brief stuurt, Mart’, zeg ik met wiebelige stem. Ik adem diep in.
‘Anders zorg ik ervoor dat je me nooit meer kan vinden.’
Zijn blik vertrekt en zijn ooglid trilt.
‘Bitch’, zegt hij luid. Zoals altijd slaat zijn kalmte bij enkel tegenspraak al om naar woede. Speeksel spat tegen het glas. ‘Je hebt me erin geluisd. Ik weet niet hoe je het gedaan hebt, maar ik zal je krijgen. Je kunt je niet verbergen, ik kom achter je aan.’
Hij spuugt een grote fluim tegen het raam en het druipt aan zijn kant naar beneden. Aan de kant van de ter dood veroordeelde en niet aan de kant van de vrije.
Ik recht mijn rug en grijns. ‘Nee, Mart’, zeg ik met hernieuwde moed. ‘Jij komt helemaal niet achter me aan. Jij krijgt de stoel en dát is wat je verdiend.’
Woest staat hij op en bonkt met beide vuisten op het raam. De telefoon klettert op de grond, kabaal klinkt. Gedecideerd hang ik de telefoon op de haak en sta op, de brief laat ik liggen. Ik versta geen woord van wat hij schreeuwt als hij door de bewakers vast gegrepen wordt en ze de taser op zijn hals zetten totdat hij in elkaar zakt.
Met gerechte rug wandel ik de ruimte uit, ik knik vriendelijk naar de bewaker en laat hem de deur voor me openen. Tien minuten later sta ik weer buiten, in de stralende voorjaarszon. Vogels die in het zuiden zijn geweest vliegen kwetterend over en strijken neer op het gras waar ze al pikkend op zoek gaan naar wormen die na hun winterslaap weer naar boven komen. Na de winter komt altijd weer de lente, behalve voor Mart.

Verhalen

In de rij

Via Schrijven Online vond ik een schrijfopdracht met als thema Pride and Prejudice: schrijf een scène over trots en vooroordeel in minder dan 300 woorden, ik redde het net met 299.

In de rij

Hij strijkt door zijn glanzende haar, een donkere lok schiet terug en valt op zijn voorhoofd. Achteloos houdt hij het pak melk vast, alsof het geen onderdeel van hem en zijn zwarte maatpak mag worden. Ik klem het volgeladen mandje tegen mijn heup, een snijdende pijn trekt door mijn schouder. Had ik maar een karretje genomen. Zuchtend staar ik langs de man in maatpak naar de lange rij voor me. Waarom doen ze niet nog een kassa extra open? Ik kan het mandje nauwelijks houden. Puffend zet ik hem op de grond en draai met mijn schouders tot de pijn wat verzacht. De man voor me schuift met zijn glanzende schoen. Voor ons schuiven de andere mensen door en rekenen een voor een af, maar hij blijft onbewogen staan als een filerijder die weigert vooruit te gaan als de rest voetstaps doorrijdt. Ik kuch dwingend. Loop door, hooghartige vent.
Even lijkt hij in beweging te komen, maar hij blijft toch staan en zwiept het pak traag langs zijn been heen en weer. Ik zet een stap opzij en tuur langs hem heen. De rij voor ons is bijna opgelost en hij staat daar maar. Denkt-ie dat hij als enige boven alle wetten van de supermarkt staat?
‘Sta je nog in de rij?’, vraag ik scherp.
Hij draait zich om. Zijn bruine ogen glanzen en hij glimlacht wat onbeholpen. ‘Sorry, ik stond te dromen.’ Met zijn hand gebaart hij naar de kassa. ‘Wil jij anders voor? Ik heb geen haast.’
Het schaamrood kleurt mijn wangen. ‘Nee, bedankt’, mompel ik. ‘Ik ook niet.’ We kijken elkaar even aan en dan draai ik mijn hoofd vlug weg.
Traag wandelt hij naar de kassa en rekent af. Voordat hij wegloopt kruist zijn blik de mijne. ‘Fijne dag nog’, zegt hij zacht.

Verhalen

Aanwezigheid

Op Schrijven Online vind je een hoop leuke, uitdagende schrijfopdrachten. Ik maakte er een waarin de opdracht was om een scène (van maximaal 500 woorden) te schrijven waarin iemand onder de douche staat en een vreemd geluid hoort op zijn/haar slaapkamer.

Aanwezigheid

Ik draai de douchekraan wat heter. Het warme water ontspant me. Na een dag met schreeuwende kinderen om me heen, vind ik het heerlijk om alleen thuis te komen. Naarmate sinterklaasavond dichterbij komt worden de kinderen in mijn klas steeds onrustiger. Als mijn stagiaire niet ziek was, had ik het wel gered, maar in mijn eentje twintig extatische kleuters in het gareel houden was me vandaag te veel. Gelukkig was Bart zo aardig dat hij me wilde helpen, terwijl hij als directeur zoveel andere dingen te doen heeft. Het was alsof hij wist dat ik hulp nodig had. De hele middag heeft hij geholpen met plakken en knippen, lezen en begeleiden. Af en toe keek hij me aan, iets langer dan gebruikelijk, alsof hij wilde peilen of ik zijn aanwezigheid nog op prijs stelde. Ik glimlachte en hij grijnsde terug.
Ik open de fles shampoo die ik vanmiddag kocht. Zacht knijp ik in de fles, laat de geur ontsnappen en snuif hem op. Lavendel vermengt met een frisse bosgeur. Ik knijp de parelmoerkleurige zeep eruit en laat het een cirkel vormen in mijn handpalm. Tussen mijn handen wrijf ik tot het schuimt en masseer het dan in mijn donkere krullenbos.
Ineens hoor ik een doffe dreun, alsof er iets zwaars omvalt. Mijn hart slaat een bons over. Onmiddellijk draai ik de douche uit en spits mijn oren. Wat was dat? Is er iemand boven? Met ingehouden adem luister ik. De vloer kraakt en ik weet precies waar. Mijn slaapkamer. Er is iemand in mijn slaapkamer. Er klinkt gestommel, geschuifel. Is het een inbreker? Of erger… Hij heeft me ongetwijfeld gehoord. Ik ruk de handdoek van de douchedeur en wikkel hem zo snel mogelijk om me heen. Langzaam ademen, straks hoor hij me. Ik probeer mijn hijgende ademhaling te veranderen, maar het lukt niet. Mijn hart bonkt driftig, alsof hij een weg uit mijn borstkas zoekt. Ik moet met verstoppen, maar ik sta hier open en bloot. Terwijl ik me zo klein mogelijk maak, sluip ik de douche uit en ga op handen en voeten voor de deur zitten. Zo stil als ik kan doe ik de badkamerdeur op slot. Ik moet 112 bellen. Ik zet mijn nagels in mijn bovenbeen. Shit. Mijn telefoon ligt nog op mijn slaapkamer.
Ik sluit mijn ogen en luister. Is hij weg? Aan de andere kant van de deur is niets meer te horen. Nog een paar minuten blijf ik roerloos bij de badkamerdeur staan en als het stil blijft open ik hem. Zodra ik de deur open kijk ik recht mijn slaapkamer in. In mijn bed ligt iemand met zijn rug naar mij toe, onbeweeglijk en schijnbaar diep in slaap. Op de punten van mijn tenen sluip ik naar het bed, waar mijn telefoon vlak naast hem ligt. Ik verstijf als ik zijn gezicht zie. Bart. Het is Bart.
‘Ben je blij dat ik er ben?’, fluistert hij met gesloten ogen.

Foto: Pixabay

Verhalen

In het licht

Een ultrakort verhaal van minder dan honderd woorden.

In het licht

Ik ontsteek een kaars. Twijfelend komt het tot licht, maar eenmaal schijnend verlicht het de duisternis. In het stralende licht ontwaken de vormen van meubels, dozen en afval op de grond. Aan het plafond hangen glinsterende spinnenwebben. Stofvlokken verplaatsen zich over de vloer als ik de kaars op de tafel zet. Akelig zichtbaar wordt de chaos die de duisternis verborgen hield. Haast onverdraaglijk. Ik stapel dozen en maak ruimte voor het licht. Een ruimte heeft licht nodig. Vastberaden pak ik de bezem en veeg de vloer. Ik mag niet in het donker leven en het donker niet in mij.

Verhalen

De diepte

‘Ik kan het niet.’ Met mijn vingers omklem ik het touw. Stapje voor stapje schuifel ik achteruit, van de eerste plank af. Even kijk ik naar beneden. Mijn buik trekt samen als ik de duizelingwekkende diepte in kijk. Mijn hart bonst driftig in mijn borstkas.
‘Niet naar beneden kijken’, roept Manu. ‘Kijk naar de bergtop voor je.’
Met moeite verplaats ik mijn blik en focus naar wat boven mij is. Trillend zet ik nog een stapje naar achteren. Als ik het gras onder mijn voeten voel, haal ik haperend adem. Ik ga zitten en richt me op mijn ademhaling. Voor het eerst heb ik spijt van dit grote avontuur. Ik dacht dat ik alles kon, maar dit, dit kan ik niet.
Soepel wandelt Manu over de loopbrug terug. De touwen en planken dansen wild op en neer.
‘Gaat het?’ Hij ploft naast me neer en neemt me op.
Ik schud mijn hoofd. ‘Het is te hoog, te gevaarlijk.’ Langzaam blaas ik uit. ‘Dieptes zijn niet mijn ding. En dat is zacht uitgedrukt.’
Even blijft hij stil en plukt een paar sprietjes van het hoge gras dat op de rots achter ons groeit.
‘Kijk’, hij wijst naar de overkant van de tientallen meters lange touwbrug. ‘Je moet je blik richten op je bestemming. Je gaat naar waar je kijkt. Kijk nooit naar beneden, want dan zullen je voeten volgen.’
Ik laat zijn woorden op me inwerken. Hij heeft gelijk. Maar wat als er iets gebeurt? Wat als de touwen breken? Wat als ik uitglijd omdat ik niet zie wat er bij mijn voeten gebeurt?
‘Kunnen we echt niet via de andere kant?’ Mijn zware rugzak laat ik van mijn rug glijden en ik zet hem tussen mijn benen. Uit het zijvak pak ik mijn flesje water neem een slok.
Hij schiet in de lach. ‘Ik dacht dat ik de gids was.’
Zacht grinnik ik. ‘Tsja…’
Met zijn vingers woelt hij door zijn donkere baard. ‘We kunnen wel via een andere pas. Maar dan moeten we meer bergen beklimmen, door meer dalen gaan.’ Hij strekt zijn benen. ‘Dat kost ons dagen. Dit is eigenlijk de enige optie.’
Ik stop het flesje weer in mijn tas en zucht. Met mijn handpalmen wrijf ik over mijn wangen.
‘Je moet me vertrouwen.’
Ik knik langzaam. ‘Dat wil ik ook. Maar…’
‘Je bent bang’, stelt hij vast. ‘Luister, die brug die gaat bewegen. Hij gaat schudden, maar als jij vasthoudt aan die touwen gaat hij je er nooit afgooien.’
Hij staat op en strekt zijn hand naar me uit. ‘Ik loop voor je.’
Ik sluit mijn ogen, adem diep in, open mijn ogen weer en leg dan mijn hand in de zijne. Sterk trekt hij me overeind.
‘Geef je rugzak maar’, zegt hij vastberaden.
‘Nee, joh’, ik wuif met mijn hand. ‘Je hebt je eigen tas toch ook.’
‘Ik ben wel wat gewend, hoor’, zegt hij met een grijns op zijn gezicht en hij neemt de tas uit mijn hand. Moeiteloos slingert hij hem over zijn armen en draagt hem op zijn buik. ‘Zo ben ik tenminste in balans.’
Samen wandelen we naar de afgrond, naar het begin van de brug. Kort werp ik een blik achterom, naar de rotsen die we beklommen hebben.
‘Kijk naar mij’ Zijn handen rusten op de touwen aan weerszijden van hem en hij stapt de loopbrug op.
Oké, naar hem kijken. Kijken wat hij doet, waar hij stopt en waar hij gaat. Doen wat hij doet en niet, nooit naar beneden kijken.
Ik leg mijn handen op de touwen, adem mijn longen vol tot onderin mijn buik en zet mijn voet op de eerste plank. Mijn andere voet volgt. Achter Manu aan.

Deze allegorie is gebaseerd op de songtekst van Oceans en Mattheus 14: 22-34.

Oceans
Your grace abounds in deepest waters
Your sovereign hand
Will be my guide
Where feet may fail and fear surrounds me
You’ve never failed and You won’t start now

Foto: Unsplash

Verhalen

Eerste hoofdstuk van YA-fantasy – De Zonbewaker van Arom

Vorig jaar ben ik aan mijn eerste lange verhaal begonnen; een Young Adult fantasy. Momenteel focus ik me op een ander, maar ooit ga ik weer verder met De Zonbewaker. Lees hier het eerste hoofdstuk.

PATS! Het blijft een paar tellen stil. BAM! Van schrik laat Eden de draaihendel op de zijkant van de machine los. Vanuit de hoogte klinkt een zoevend geluid. “Nee”, schreeuwt ze in paniek en ze laat zich op de grond vallen. Met beide handen grijpt ze naar het kleine tandwiel dat op de rotsachtige grond ligt. “Niet het Schakelwiel”, fluistert ze buiten adem. Gekraak galmt door de enorme grot. Eden ademt diep in voordat ze omhoog kijkt. Met haar ogen volgt ze het raderwerk van tandwielen en banden op de kegelvormige Solamachine. Het Meesterwiel, dat metershoog boven op de machine bevestigd is, draait hard. Veel te hard. Onder het rondzwaaiende Meesterwiel flappert een losse band. Een lege plaats eronder bewijst dat Eden inderdaad het Schakelwiel in haar handen heeft. De band hoort er samen met het kleine tandwiel voor te zorgen dat het Meesterwiel alleen maar langzaam draait. Een zwart kringeltje rook stijgt dreigend op uit het Meesterwiel. Het Schakelwiel moet terg op zijn plaats. En wel snel. Het is voor een dertienjarig meisje veel te gevaarlijk om het reusachtige raderwerk te beklimmen. Wanhopig rent Eden naar de rem. Ze grijpt de enorme hendel met beide handen vast en trekt hem uit alle macht naar zich toe. Niets. Het Meesterwiel blijft rondsuizen. Haar hart bonkt in haar keel. Een druppel zweet loopt van haar voorhoofd over haar neus. De enige die een oplossing heeft voor deze enorme chaos is de Maker zelf. Zo snel ze kan rent ze de Grote Hal uit, door de stenen grottunnel naar de buitenwereld. Wanneer ze het eind van de tunnel nadert ziet ze dat het al begonnen is. Het heldere zonlicht verdwijnt in een donkere schemerlucht en verandert naar pikzwart als de nacht. Ze ziet helemaal niks meer. In het aardedonker struikelt ze over de tak klimop, die aan het einde van de grot groeit. Hijgend maakt ze op de tast haar sandaal los uit de wirwar van takken. Zo vlug als ze kan staat ze weer op, met haar hand tast ze naar de zijwand van de grot. Zodra ze de vertrouwde stenen wand tegen haar vingertoppen voelt, loopt ze met vlottere pas en haar hand langs de wand als leidraad de grot uit. Opnieuw struikelt ze. Dit keer over een steen die achter haar sandaal blijft haken. Ze grijpt naar haar pijnlijke teen en kreunt luid. Haar hand wordt nat. Bloed. Op de tast voelt ze naar de schade aan haar grote teen. De steen heeft een stuk vel meegenomen. Met haar hand zoekt ze om zich heen naar de wand. Zodra ze hem weer onder haar vingers voelt, staat ze opnieuw moeizaam op. Ze moet opschieten voordat de machine het helemaal begeeft. Haar tanden bijt ze stevig op elkaar als ze haar gewicht op haar pijnlijke teen plaatst. Straks kan ze aan de pijn toegeven. Eerst moet er hulp komen. Zo snel haar teen toelaat strompelt ze de grot uit. Onder haar voeten voelt ze structuur van de grond veranderen. Gras. Eden ziet het licht binnen een paar tellen weer terugkeren. De hete zon verschijnt na een snelle zonsopkomst weer op zijn plek aan de hemel, alsof hij nog nooit weg is geweest. Het is begonnen. Een ramp. En het is háár schuld, denkt Eden.

Verhalen

Een moeder weet dat

Voor mijn cursus Schrijven in scènes schreef ik de volgende scène. Het zou je maar overkomen…

Een moeder weet dat

Met een grote teug zuig ik mijn longen vol tot onderin mijn buik. Ik blijf roerloos staan, terwijl de mensen die achter me stonden te wachten inmiddels langs me heen de lift in stappen. Een oude vrouw met rollator schuifelt kreunend naar binnen en drukt op een knopje. Ik steek mijn bevende handen diep in mijn jaszak. Mijn buikspieren trekken samen. Nogmaals adem ik diep in en stap dan ook de lift in. Ik heb geen keus, ik moet wel. Het is in de kelder, zei de mevrouw aan de telefoon. Met mijn trillende vinger druk ik op het -1 knopje. Eerst gaat de lift naar boven. Snel, veel te snel. Zodat het intens pijnlijke en vernietigende zich onvermijdelijk kan aandienen. Hij is het. Ik weet het zeker. Toen ik de politie aan mijn deur zag wist ik het onmiddellijk. Een moeder weet dat. Ook al had hij geen identificatie bij zich, alles wijst erop dat het Erik is. Mijn lieve jongen, mijn alles.
Boven stappen mensen in en uit en dan suist de lift naar beneden, naar de kelder. De liften schieten open en ik moet eruit. Als enige. Zo licht als de bovenste verdiepingen eruit zagen, zo donker is het hier. Een meterslange gang strekt zich ver voor mij uit. Flikkerende tl-buizen verlichten de doodse gang her en der. Alles is grijs, kil betegeld. Ik ril en wikkel mijn sjaal strakker om mijn hals. Ik speur naar een wegwijzer. Een steriel wit bordje in de vorm van een pijl wijst me de weg. Rechtdoor. Ik kan het niet. Ik kan dit niet, maar ik moet. Voor Erik. Stapje voor stapje weet ik vooruit te komen richting de deur waar in zwarte blokletters mortuarium op staat. Piepend adem ik in. Mijn armen zijn zwaar, loodzwaar. Met moeite breng ik er een omhoog en laat hem in een zware klop op de deur vallen. Een man in een witte jas opent. Hij vraagt mijn naam en neemt me mee de steenkoude ruimte in. In het midden staat een brancard, afgedekt met een wit laken. Zakelijk en onbewogen trekt hij het laken terug. Als het jonge gezicht van Erik tevoorschijn komt stort ik ineen. Net ais mijn wereld.

Verhalen

Machteloos

Op SchrijvenOnline vind je wekelijks een schrijfopdracht. Deze week was de opdracht om een verhaal van maximaal 300 woorden te schrijven en te beginnen in media res. Ook moest je eindigen met een cliffhanger.

Machteloos

Een luid gekraak haalt me uit mijn gemijmer. Ineens klinkt het anders. Het voelt ook anders. De auto rijdt niet meer kaarsrecht, maar leunt steeds meer naar rechts. Alsof een onzichtbare bestuurder het stuur van me heeft overgenomen. Ik snak naar adem en kijk gealarmeerd in mijn zijspiegel. Op de strook naast me rijdt een rode auto vlak achter me. Het stuur glijdt in mijn bezwete handen. Ik grijp hem steviger vast en draag mijn auto op naar links te rijden. Als een opstandige puber houdt hij rechts aan. Ik ruk aan het stuur. Niks. Het waarschuwende bromgeluid van de belijning midden op de weg, laat mijn hart nog sneller beuken.
Wat is er in vredesnaam met mijn auto aan de hand?
Naast me wordt getoeterd. De bestuurder houdt zijn hand vragend op. Hij beweegt met zijn hoofd richting de vluchtstrook.
Aan de kant. Natuurlijk.
‘Oké’, schreeuw ik knikkend. Ik klem mijn kaken strak op elkaar.
Op de rode auto na, rijdt er niemand vlakbij me. De kale man rijdt inmiddels links van me, nu mijn auto over de belijning van de vluchtstrook raast. Ik trap de rem in. Mijn auto draaft onverstoord door op snelwegtempo. Met alles wat ik in me heb, trap ik het pedaal in tot op de vloer. Mijn hart slaat als een bezetene. De lucht is dik en komt mijn longen niet in en uit.

Ik grijp naar mijn gezicht. Pijn. Snijdende, vreselijke pijn. Overal. Druppels druipen over mijn gezicht. Alles wat ik zie, is roodgekleurd. Ook de boom voor me.
Vederlicht stijg ik op, alles wordt zacht en wollig, maar een ferme hand duwt me even terug op aarde.
‘Volhouden, mevrouw.’